Hof Amsterdam 16 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5508
Klacht tegen een notaris. De kamer heeft de ambtshalve bedenkingen van de voorzitter van de kamer ten aanzien van de notaris ten dele gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het hof heeft op 25 maart 2014 in (onder meer) deze zaak een tussenbeslissing gegeven (ECLI:NL:GHAMS:2014:919). In de tussenbeslissing is het hof tot het oordeel gekomen dat het BFT ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het BFT stelt zich op het standpunt dat in het jaar 2005 en in het jaar 2009 een tekort in de liquiditeits- en bewaringspositie is ontstaan die niet is toegestaan. Daarnaast verwijt het BFT de notaris, in verband met een levering, dat hij heeft gehandeld in strijd met artikel 17 lid 1 (oud) Wna in verbinding met artikel 2 en artikel 3 Vbg, omdat hij zijn verplichting tot onderzoek en controle niet is nagekomen. Het hof stelt de notaris in de gelegenheid om zich vóór 30 januari 2015 uit te laten over hetgeen onder 7.11. ad b. is overwogen waarna het BFT zes weken de gelegenheid krijgt hierop te reageren en houdt iedere verdere beslissing aan.
De uitspraak op rechtspraak.nl