Hof Amsterdam 2 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5110
De klachten van het BFT zien op het volgende. De gerechtsdeurwaarder heeft een negatieve bewaringspositie op zijn derdengeldrekening laten ontstaan en hij heeft dit tekort niet terstond aangevuld. Het bedrag waarop onder de gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd, stond niet steeds in zijn geheel op de derdengeldrekening. De gerechtsdeurwaarder heeft een negatieve liquiditeits- en solvabiliteitspositie laten ontstaan. De gerechtsdeurwaarder heeft niet altijd een toereikende dekking aangehouden voor out of pocket-kosten. Gelden van de derdengeldrekening zijn aangewend voor het betalen van personeelskosten en overige zakelijke en privé schulden. De bewaringspositie is jarenlang en structureel geflatteerd door de gerechtsdeurwaarder weergegeven door het opboeken van kosten. Het bewaringstekort is verder opgelopen en de gerechtsdeurwaarder heeft nog gelden aan de derdengeldrekening onttrokken ter voldoening van kantoorkosten. De kamer heeft bij de bestreden beslissing de klachten van het BFT tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Het hof is van oordeel dat de gegrondbevinding van de klachtonderdelen die zien op het laten ontstaan van de negatieve bewaringspositie reeds moet leiden tot de maatregel van ontzetting. Het hof bevestigt de beslissing van de kamer.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 19 GDW
- Artikel 41 GDW
- Artikel 1 Administratieverordening gerechtsdeurwaarders
- Artikel 4 Administratieverordening gerechtsdeurwaarders
- Artikel 5 Administratieverordening gerechtsdeurwaarders
- Artikel 7 Administratieverordening gerechtsdeurwaarders
- Artikel 8 Administratieverordening gerechtsdeurwaarders