Hof Amsterdam 27 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2595

Belanghebbende en haar ex-echtgenoot dienen voor de wet IB in 2008 en 2009 aangemerkt te worden als partners. De aangiften IB/PVV 2008 en 2009 van de ex-echtgenoot van belanghebbende zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken, nu zij niet van enig belang zijn voor de vraag of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Om te beoordelen of belanghebbende in aanmerking komt voor de algemene heffingskorting is ex art. 8.9 IB enkel relevant wat het bedrag is van de door de ex-echtgenoot verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminder met de gecombineerde heffingskorting. Het onderhavige rechtsgeding valt niet onder de reikwijdte van art. 6 EVRM nu er geen boetes aan de orde zijn. Het betoog van belanghebbende dat de onderhavige aanslagen niet (onder verrekening van de voorlopige teruggaven) aan haar mochten worden opgelegd dan wel dat zij niet gehouden kan worden tot terugbetaling van uitbetaalde algemene heffingskorting faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen