Hof Amsterdam 4 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1579
Agentuur. Mededingingsrecht. Aanvankelijk was tussen luchtvaartmaatschappijen en reisbureaus sprake van agentuur. Het door de luchtvaartmaatschappijen geintroduceerde nieuwe verkoopmodel, waarin de klant van het reisbureau als opdrachtgever optreedt en betaalt voor de diensten van het reisbureau, is geen agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 lid 1 BW. Tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst is, in strijd met artikel 7:445 lid 2 BW, ten nadele van de agent overeengekomen dat hem geen aanspraak op klantenvergoeding toekomt. Het beroep van de luchtvaartmaatschappijen op artikel 7:902 BW gaat niet op. Geen onzekerheid over de vraag of, na beeindiging van de agentuurovereenkomst, al dan niet een klantenvergoeding verschuldigd was. Daarmee is, mogelijk welbewust, een dwingendrechtelijke bepaling in de nieuwe overeenkomst (tevens vaststellingsovereenkomst) terzijde gezet, hetgeen in strijd is met de openbare orde. Bepaling in de nieuwe overeenkomst nietig voor zover de reisbureaus daarin afstand hebben gedaan van een recht op een klantenvergoeding waarop zij krachtens artikel 7:442 BW mogelijkerwijs recht hebben. Opzegging van de bestaande agentuurovereenkomsten niet in strijd met het Nederlandse of Europese mededingingsrecht. Stelplicht met betrekking tot artikel 6 Mw/101 VWEU en 24 Mw/102 VWEU. Verweer dat er geen strijd is met artikel 6 Mw/101 VWEU omdat sprake is van een economische eenheid is geen bevrijdend verweer.
De uitspraak op rechtspraak.nl