Hof Amsterdam 8 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3869
Notarissen (3)maken elkaar diverse verwijten. Zo zouden er onjuiste uitlatingen zijn gedaan over de werkwijze op het kantoor van één van hen, waardoor het in een kwaad daglicht is gesteld hetgeen een notaris onwaardig en mitsdien klachtwaardig is. Daarnaast zouden er cliënten zijn misleid en andere notarissen op een niet aanvaardbare wijze zijn beconcurreerd als gevolg van de hantering van een prijsprotocol. Ook zou een notaris lasterlijke aantijgingen hebben geuit aan het adres van een andere notaris (omtrent vermeend cocaïnegebruik). Het hof heeft in zijn beslissing van 22 juni 2010 (LJN: BM9741) reeds overwogen dat uitgangspunt bij de tarifering door een notaris dient te zijn dat er duidelijkheid bestaat omtrent de door de notaris in rekening te brengen kosten. Het is een notaris in beginsel toegestaan om een prijsprotocol te hanteren ter bepaling van zijn tarief zonder in strijd te komen met de artikelen 6:231 e.v. BW en hetgeen hem als goed notaris betaamt, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Het hof is met de kamer van oordeel dat de notarissen op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat gelet op de over en weer door betrokkenen ingenomen stellingen, niet is komen vast te staan dat er op lasterlijke wijze geruchten zijn verspreid
De uitspraak op rechtspraak.nl