Hof Amsterdam 24 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4804
Douane. Belanghebbende bepleit in hoger beroep dat de UTB’s dienen te worden vernietigd. Zij voert daartoe aan dat: 1. de inspecteur niet bevoegd was de UTB’s uit te reiken; 2. de voorwaarden voor het afzien van navordering (artikel 220, lid 2, sub b, Communautair douanewetboek (hierna: CDW) zijn vervuld; 3. in de zaak 12/00182 het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden. Het Hof is van oordeel dat de UTB's conform de bevoegdheidsregels aan belanghebbende zijn uitgereikt. De stelling van belanghebbende dat de bevoegdheid van deze inspecteur geografisch is beperkt, geen steun in het recht. Geen regel in het recht staat er aan in de weg dat het mandaatregister wordt bijgehouden in de vorm van een digitaal bestand, mits op elk moment – en ook achteraf – kan worden vastgesteld welke ambtenaren over een geldig mandaat beschikken (of beschikten) om namens de inspecteur besluiten te nemen. Uit het mandaatbesluit en de daarbij behorende bijlagen volgt dat de betreffende ambtenaren over een geldig mandaat beschikten om namens de inspecteur besluiten te nemen. Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, zodat de inspecteur niet gehouden is om op de voet van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW af te zien van navordering. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een vergissing van de Bengaalse autoriteiten. Evenmin is sprake van een vergissing van de inspecteur. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet wezenlijk in haar verdedigingsbelangen is geschaad door de procedurele gang van zaken. Belanghebbende is er niet in geslaagd duidelijk te maken wat zij destijds had willen onderzoeken, indien zij langere tijd tot haar beschikking had gehad. Het hoger beroep van belanghebbende faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl