Hof Amsterdam 10 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4487
Klaagster verwijt de notarissen dat zij tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld bij het opstellen en passeren van het testament van erflaatster in december 2005 en het afwikkelen van de nalatenschap van erflaatster na haar overlijden op 29 februari 2008. Het hof stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid is van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van de testateur. De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de testateur bij het vormen en uiten van zijn wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Dat is niet anders in de situatie dat de derde de partner van de testateur is. Het is aan de notaris overgelaten om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verplichting. Het hof is van oordeel dat een notaris in beginsel aan deze verplichting voldoet indien hij op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het testament met elk van beide partners/testateurs afzonderlijk de relevante aspecten van het testament bespreekt. Van de notaris die daarvoor niet kiest, mag worden verwacht dat hij zijn keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kan verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. De oud-notaris kan tuchtrechtelijk een verwijt worden gemaakt, maar naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Ten aanzien van de toegevoegd notaris zijn meerdere klachtonderdelen gegrond bevonden, hetgeen het opleggen van de maatregel van waarschuwing rechtvaardigt. De klacht jegens de notaris is eveneens (grotendeels) gegrond bevonden. De klacht betreft een wezenlijk onderdeel van de zorg die de notaris in een geval als het onderhavige dient te betrachten. Het hof acht daarom ook hier het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend.
De uitspraak op rechtspraak.nl