Hof Amsterdam 5 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3928
Hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam, waarbij de kamer de door de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96, lid 6 Wet op het notarisambt, verder Wna, aan de kamer voorgelegde zaak tegen de notaris, deels gegrond en deels ongegrond heeft verklaard en aan de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van vier weken is opgelegd. De zaak is in hoger beroep behandeld voor wat betreft de ontvankelijkheid van de KNB in haar hoger beroep. Het is juist dat het onderzoek dat heeft geleid tot de rapportage van het BFT van 9 november 2009, in eerste instantie is gelast door de voorzitter van de kamer. Daarnaast neemt het hof als onweersproken aan dat de KNB door middel van haar brief van 6 mei 2009 heeft willen bewerkstelligen dat dit reeds lopende onderzoek, zich (tevens) zou uitstrekken over de door de KNB in die brief aangeduide onderwerpen. Anders dan de notaris, is het hof van oordeel dat het feit dat de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 2, eerste volzin, Wna een onderzoek heeft gelast niet betekent dat het bestuur van de KNB geen verzoek meer kan indienen bij de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 2, eerste volzin, Wna tot het gelasten van een (aanvullend) onderzoek. De stelling van de notaris, kort samengevat dat het bestuur van de KNB uitsluitend gezamenlijk met het bestuur van het BFT hoger beroep kan instellen, is naar ’s hofs oordeel evenmin houdbaar. Het hof volgt de notaris echter wel in diens betoog dat het verzoek een onderzoek te gelasten op grond van artikel 96 lid 2, tweede volzin, Wna afkomstig dient te zijn van het bestuur van de KNB. Het hof verzoekt de KNB uiterlijk binnen 4 weken na de datum van deze uitspraak de stukken aan het hof te zenden waaruit blijkt dat aan het verzoek in voormelde brief van 6 mei 2009 een bestuursbesluit ten grondslag ligt.
De uitspraak op rechtspraak.nl