Hof Amsterdam 1 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3193

De KNB is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Artikel 26 van de Wet op het notarisambt (Wna) betreft een per 1 januari 2013 in werking getreden gewijzigd artikel. In dit artikel wordt een viertal gevallen genoemd waarin een notaris door de voorzitter van een kamer voor het notariaat wordt geschorst in de uitoefening van zijn ambt. Lid 2 van dit artikel verklaart met betrekking tot de mogelijkheid in beroep te gaan tegen dergelijke beslissingen - voor zover hier van belang - artikel 27 leden 2 en 3 Wna van overeenkomstige toepassing. Uit deze wetteksten volgt dat enkel de notaris tegen een beslissing van de voorzitter als bedoeld in artikel 26 lid 1 Wna in beroep kan komen. De bepaling in de tweede volzin van artikel 107 lid 1 Wna dat in alle gevallen de KNB en het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) voor wat betreft de mogelijkheid beroep in te stellen als klager worden aangemerkt, doet hieraan niet af, nu de toepasselijkverklaring van (onder meer) artikel 107 Wna is beperkt tot de behandeling van de zaak bij de kamer en het hof en dus niet op de mogelijkheid beroep in te stellen en de wijze waarop dat moet gebeuren, welke kwesties in het eerste lid van artikel 107 Wna zijn geregeld (met een andere appeltermijn dan in artikel 27 lid 2 Wna). Bovendien zou de mogelijkheid van beroep door de KNB en het BFT tegen een beslissing van de voorzitter als bedoeld in artikel 26 lid 1 Wna ook niet passen in het stelsel van de wet. Immers, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het hof de beslissing van de voorzitter zou vernietigen en, opnieuw beslissende, alsnog de verzochte schorsing zou uitspreken, dan zou die beslissing van het hof op grond van de toepasselijk verklaarde tweede volzin van artikel 27 lid 1 Wna vervolgens weer aan het oordeel van de kamer voor het notariaat zijn onderworpen en het oordeel van de kamer zou dan weer in appel aan het hof kunnen worden voorgelegd. Een dergelijke rechtsgang kan door de wetgever niet zijn beoogd. Het voorschrift van artikel 26 lid 3 Wna aan de griffiers der gerechten aan de kamer voor het notariaat, de KNB en het BFT mededeling te doen van rechterlijke beslissingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is naar het oordeel van het hof op zichzelf onvoldoende grond om aan te nemen dat zulks moet leiden tot de - niet in de wet gegeven - mogelijkheid voor de KNB (en het BFT) om tegen een dergelijke beslissing in beroep te kunnen komen. Dat het een omissie van de wetgever zou betreffen, valt niet uit de memorie van toelichting en evenmin uit de latere parlementaire stukken die aan de Wna, zoals die per 1 januari 2013 geldt, ten grondslag liggen af te leiden en is ook anderszins niet gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen