Hof Amsterdam 30 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2314
Klager verwijt de notaris dat hij bij het opstellen van het testament van erflaatster heeft gehandeld in strijd met een van de protocollen van de KNB, namelijk het protocol beoordeling wilsbekwaamheid. Het meest verstrekkende verweer van de notaris is dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht nu hij hierbij geen, althans onvoldoende eigen en concreet belang heeft. Het hof stelt voorop dat klager geen partij is bij het op 15 september 2010 door de notaris verleden testament van erflaatster. Daarnaast is het hof van oordeel dat klager niet kan worden gerangschikt onder het (rechtstreeks) belanghebbendenbegrip in de zin van artikel 49 en 49b Wna. Voor de vraag wie het recht heeft een klacht in te dienen is een verwijzing naar het (rechtstreeks) belanghebbendenbegrip in de artikelen 49 en 49b Wna echter te beperkt. Er zijn immers situaties denkbaar waarin ook diegenen belanghebbenden kunnen zijn die niet met zoveel woorden vallen onder de categorieën genoemd in die artikelen. Of een dergelijke situatie zich voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van de vraag of iemand een zodanige belanghebbende is, zal in ieder geval een rol spelen in hoeverre deze door het handelen of nalaten van een notaris zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp dat in de klachtprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen. Het hof is van oordeel dat de door klager naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende zijn om klager als belanghebbende aan te merken. Dit leidt tot de slotsom dat de kamer klager in zijn klacht terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl