Hof Amsterdam 14 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2158
Klacht tegen (oud- en/of kandidaat-)notarissen. De (13) klachtonderdelen zien op de economische eigendomsoverdracht van de voormalige echtelijke woning door de moeder van klaagster aan de broer van klaagster, de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van klaagster en het opstellen en passeren van een testament voor de broer van klaagster. Op grond van artikel 99 lid 15 Wna (voor 1 januari 2013 was dit lid 12 van dit artikel) kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen. Met betrekking tot de klachtonderdelen 1. tot en met 6. en 8. is het hof met de kamer van oordeel dat klaagster van de feiten en omstandigheden waarop deze klachtonderdelen zien eerder dan drie jaar voor 28 april 2011 - de datum waarop de klacht bij de kamer is ingekomen - kennis heeft genomen. De kamer heeft klaagster ten aanzien van die klachtonderdelen derhalve terecht niet ontvankelijk verklaard. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat klaagster wel ontvankelijk is in klachtonderdeel 7. nu klaagster onweersproken heeft aangevoerd dat zij op 18 mei 2010 het testament van haar broer heeft ontvangen en eerst op dat moment kennis heeft genomen van de inhoud van dat testament. Dit betekent dat de vervaltermijn ten aanzien van die klacht eerst op 18 mei 2010 is gaan lopen en de klacht is tijdig ingediend, zodat klaagster ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Het hof passeert het verzoek van klaagster om eventuele getuigen te doen horen, reeds omdat dit bewijsaanbod niet concreet is en daarmee onvoldoende is onderbouwd. In een tuchtrechtprocedure als de onderhavige is geen plaats voor de door klaagster in hoger beroep verzochte veroordelingen zoals weergegeven onder 4.3. Klaagster zal zich ter zake (eventueel) tot de civiele rechter dienen te wenden.
De uitspraak op rechtspraak.nl