Hof Amsterdam 25 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1909

Volgens de geldende jurisprudentie zijn begrepen onder belanghebbenden als bedoeld in artikel 99 lid Wna, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, allereerst de partijen en rechthebbenden, zoals genoemd in de artikelen 49 en 49b Wna. Vast staat dat klaagsters bij zowel de akte statutenwijziging als bij de subrogatieakte geen partij waren, noch aangemerkt kunnen worden als (rechts)personen die een recht ontlenen aan de genoemde akten in de zin van laatstvermelde artikelen. Er zijn situaties denkbaar waarin ook diegene die niet met zoveel woorden valt onder de categorieën in genoemde wetsartikelen tot het indienen van een tuchtrechtelijke klacht bevoegd kan zijn. Of een dergelijke situatie zich voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een doorslaggevende rol speelt in hoeverre deze door het handelen of nalaten van een notaris, zodanig in een eigen belang kan zijn getroffen, dat deze, ter bescherming van dat belang de mogelijkheid moet hebben te klagen, of dat deze anderszins zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp dat in de klachtprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen. Met de notaris is het hof van oordeel dat het wijzigen van haar statuten een interne aangelegenheid van de Stichting is en dat klaagsters op geen enkele wijze betrokken zijn bij de interne organisatie van de Stichting en door die statutenwijziging ook niet in hun belangen zijn geschaad. Het stond de Stichting ook vrij om vervolgens de onderhavige subrogatieakte op te laten opstellen. Klaagsters zijn derhalve door het handelen van de notaris niet in een eigen belang getroffen en zij zijn evenmin nauw betrokken geweest bij het tot stand komen van de akte statutenwijziging en de subrogatieakte, waarop het gewraakte handelen van de notaris in deze tuchtprocedure ziet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen