Hof Amsterdam 14 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1897

Voor de bijzondere gemeenschappen - zoals thans ook aan de orde - van art. 3:189 lid 2 bepaalt art. 3:191 lid 1 BW dat ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. Art. 3:190 lid 1 heeft als hoofdregel dat een deelgenoot zonder toestemming van de overige deelgenoten niet kan beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk en bepaalt voorts dat een schuldeiser (in dit geval klager) een zodanig deel niet kan uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten. Op grond van het voorgaande komt de kamer tot de conclusie dat de notaris zich hier op goede gronden op artikel 21 lid 2 BW heeft moeten beroepen, nu klager de notaris heeft verzocht om tot uitwinning (via een executieveiling) van het onverdeelde aandeel van zoon partner in een tot een bijzondere gemeenschap behorende onroerende zaak over te gaan. De notaris heeft klager vervolgens geadviseerd om via de rechter verdeling of verkoop te vragen. Niet kan worden geconcludeerd dat de notaris onvoldoende oog voor de belangen van klager heeft gehad. De door de notaris in zijn e-mail van 21 maart 2011 aan klager gebezigde zinsnede kan niet zonder meer gekwalificeerd worden als een onheuse bejegening van klager. Een verdere onderbouwing van klager hiervan ontbreekt en ook anderszins zijn door klager geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat deze zinsnede op zichzelf gezien onheus is jegens klager.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen