Hof Amsterdam 25 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1860
Klagers verwijten de notaris dat hij niet te goeder trouw en nalatig heeft gehandeld ter zake van het opstellen en ondertekenen van een hypotheekakte en een testament door hun vader (verder: erflater) in 2010. Het hof overweegt – alles overziend – dat er in casu voor de notaris mogelijk aanwijzingen waren die zouden hebben kunnen leiden tot twijfel, maar dat deze aanwijzingen kennelijk onvoldoende waren voor de notaris om de wilsbekwaamheid van erflater daadwerkelijk in twijfel te trekken. Het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de notaris met betrekking tot de vaststelling van de wilsbekwaamheid van erflater anders had moeten handelen dan hij heeft gedaan. Door het adviseren van een erflater met betrekking tot de inhoud van zijn testament (in aanwezigheid van de erfgenamen die voordeel hebben bij het aan erflater gegeven advies) heeft de notaris wel onzorgvuldig gehandeld. Het hof volgt de notaris niet in zijn verweer dat hij met de gekozen constructie wel degelijk de belangen van klagers in ogenschouw heeft genomen (door de onterving zouden klagers namelijk worden beschermd tegen een te verwachten negatieve nalatenschap van erflater) nu geenszins vaststaat dat klagers daartegen bescherming behoefden en zij bovendien die bescherming ook op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, maar dan op de door hen zelf gekozen wijze, zoals door een beneficiaire aanvaarding, dan wel verwerping van de (negatieve) nalatenschap. Dit klachtonderdeel is gegrond. Het hof legt de maatregel van waarschuwing op.
De uitspraak op rechtspraak.nl