Hof Amsterdam 22 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1481

Niet is gebleken dat de notaris activiteiten heeft ontplooid liggend buiten de haar gegeven opdracht als boedelnotaris op te treden. De notaris had gezien haar taak de plicht om het dossier op een juiste wijze ten behoeve van alle belanghebbenden te behandelen. Hiertoe kan ook het contact met andere broers en zussen behoren. Die activiteiten kunnen ook gedeclareerd worden. Klaagsters hebben niet het recht op een afschrift van het gehele dossier, nu zich hierin ook stukken kunnen bevinden die betrekking hebben op aspecten van de zaak die onder de geheimhoudingsplicht van de notaris vallen. Klaagsters dienden dan ook specifiek te zijn in welke stukken zij van de notaris wensen te ontvangen. In beginsel diende de notaris op grond van artikel 17 lid 2 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels (zoals dit artikel luidde tot 10 oktober 2011) ondanks haar retentierecht op tot haar dossier behorende stukken vanwege de nog niet voldane declaratie, deze stukken - in origineel dan wel in kopie - aan de opvolgend notaris af te geven onder door de voorzitter van het bestuur van de ring te stellen voorwaarden. Aangezien klaagsters de declaratie van de notaris niet wilden betalen omdat zij het met de hoogte ervan niet eens waren, diende de procedure van artikel 55 lid 2 van de Wet op het notarisambt (zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2013) te worden gevolgd en had de notaris vervolgens haar volle medewerking aan de overdracht van de behandeling van de zaak aan haar opvolger moeten geven indien de betaling van haar declaratie was zekergesteld. Onder de omstandigheden van dit geval lag het initiatief de ringvoorzitter om een beslissing in het declaratiegeschil te verzoeken bij klaagsters.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen