Hof Amsterdam 15 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5764
Het hof vernietigt de bestreden beslissing van de kamer, verklaart alle bedenkingen ongegrond en maakt de aan beide notarissen opgelegde maatregel van schorsing voor de duur van 4 weken ongedaan. Anders dan de kamer oordeelt het hof dat de notarissen bij de onderhavige transacties wel voldoende zijn nagegaan of de prijsverschillen op goede gronden te rechtvaardigen waren. De stelling van de notarissen dat de koopsommen in het onderhavige geval verklaarbaar waren, wordt door de onderzoeksresultaten van het BFT onvoldoende weerlegd. Het hof volgt de kamer ook niet in haar oordeel dat de notarissen in het onderhavige geval hun diensten hadden moeten weigeren. De notarissen mochten ervan uitgaan dat de koopsommen in het onderhavige geval te rechtvaardigen waren in het licht van de omstandigheid dat de transacties tot doel hadden het bouwbedrijf na herfinanciering voort te kunnen zetten. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat er kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen. Met de notarissen is het hof van oordeel dat er discrepanties en/of inconsistenties in de getuigenverklaringen zijn te signaleren in die zin, dat de afgelegde getuigenverklaringen op sommige punten worden weersproken door de feiten. Anders gezegd: het hof heeft twijfels over de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen. De notarissen hebben naar ’s-hofs oordeel voldoende gemotiveerd weersproken dat zij tekort zijn geschoten in hun Belehrungspflicht. Nu het niet om ongebruikelijke transacties ging, was een melding als bedoeld in de WWFT (voorheen Wet MOT) ook niet vereist.
De uitspraak op rechtspraak.nl