Hof Amsterdam 27 maart 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW0715

De klachten hebben betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van klager. In het kader van die opdracht heeft de kandidaat notaris werkzaamheden verricht. In zijn algemeenheid kan het hof geen kennisnemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. Ten aanzien van de klachtonderdelen, die in eerste aanleg al aan de orde waren, zoals in de bestreden beslissing van de kamer weergegeven onder 3., heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot de vaststelling van andere gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Met betrekking tot de subsidiaire klacht onder 2 heeft klager in hoger beroep bestreden dat de kandidaat-notaris – zoals de kamer overwoog – bereid zou zijn door de kamer aangeduide stukken alsnog aan klager af te geven. De kandidaat-notaris heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat zij niet meer werkzaam is op het bewuste notariskantoor. Zij heeft aan dat kantoor aangeboden om de stukken, waarover twijfel mocht bestaan te beoordelen, opdat het kantoor tot afgifte van stukken kon overgaan. Nu het notariskantoor aan een en ander kennelijk geen gevolg heeft willen geven ligt dat buiten de invloedsfeer van de kandidaat-notaris, zo heeft zij aangevoerd. Het hof vindt in een en ander geen aanleiding om anders dan de kamer alsnog tot het opleggen van een maatregel te besluiten. Het hof verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachtonderdelen zoals bedoeld onder 5.2. en bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen