Hof Amsterdam 2 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV2889
Verweren gericht op niet-ontvankelijkheid van het OM verworpen. De verweren komen er in de kern op neer dat artikel 22 van de Leerplichtwet (hierna: Lpw) in strijd is met artikel 9 van het EVRM. Verweer gericht op schending van het tweede lid van artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, enerzijds doordat middels deze vervolging wordt aangezet tot discriminatie, en anderzijds doordat de verdachte rechtszekerheid wordt onthouden ter zake van de rechten die artikel 5 Leerplichtwet geeft, wordt eveneens verworpen. De door de gemeente bij kennisgevingen in de zin van artikel 6, eerste lid, Lpw gevolgde werkwijze blijft in abstracto binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling met betrekking tot bovenstaande bepalingen in de Leerplichtwet 1969 en de daarop gevormde jurisprudentie, en is ook niet anderszins rechtens onjuist. Ook in dit concrete geval is door de gemeente overeenkomstig het eigen beleid gehandeld. Vrijspraak. De verdachte heeft gemotiveerd gesteld en met stukken onderbouwd, dat gelet op zijn levensovertuiging zowel tegen het Openbaar Bijzonder- Neutraal en Antroposofisch onderwijs, als tegen de Rooms-Katholieke en Protestantse scholen binnen redelijke afstand van zijn woning, overwegende bedenkingen bestaan. De verdachte heeft zijn bezwaren voldoende duidelijk en concreet naar voren heeft gebracht. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 5 Lpw is voldaan. Daarom was de verdachte in dit geval vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat zijn kinderen als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling stonden ingeschreven.
De uitspraak op rechtspraak.nl