Hof Amsterdam 25 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:4402
In beslag genomen en in bewaring gegeven zaken volgens klaagster verdwenen. De gerechtsdeurwaarders wordt verweten dat zij geen deugdelijk bewijs kunnen overleggen waaruit blijkt dat de in bewaring gegeven goederen door klaagster in ontvangst zijn genomen. De gerechtdeurwaarder is op grond van artikel 18 Gerechtsdeurwaarderswet in verbinding met artikel 10 derde lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht stukken en afschriften betreffende zijn kantooradministratie gedurende zeven jaren te bewaren. Op grond hiervan mag van een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij op een behoorlijke wijze bijhoudt wat er met de in bewaring gegeven goederen is gebeurd. Niettemin moet de klacht van klaagster voor zover die ziet op het niet teruggeven van de goederen, ongegrond worden verklaard. Het eventuele wegmaken van de goederen betreft niet het handelen van de gerechtsdeurwaarders, doch dat van de bewaarder, terwijl niet is komen vast te staan dat de gerechtsdeurwaarders lichtvaardig tot bewaring zijn overgegaan of bij de keuze voor de bewaarder onzorgvuldig zijn geweest. Het handelen van de bewaarder valt niet onder het gerechtsdeurwaarderlijke tuchtrecht. De eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder is in deze procedure niet aan de orde. Klacht gedeeltelijk gegrond, maatregel van een geldboete voor ieder van beide gerechtsdeurwaarders opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl