Hof Amsterdam 22 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3498

Ambtshalve overweegt het hof met betrekking tot de ontvankelijkheid voorts het volgende. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het strafrechtelijke beginsel ne bis in idem – inhoudende dat niemand mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde feit waarover reeds bij definitieve einduitspraak is beslist – ook van toepassing is binnen het notariële tuchtrecht. Van hetzelfde feit moet worden gesproken als de notaris of kandidaat-notaris over wie wordt geklaagd, in redelijkheid heeft kunnen menen dat met de beoordeling van het tuchtrechtelijke aspect in een eerdere zaak, de tuchtrechtelijke beoordeling van zijn handelen is geëindigd. In de onderhavige zaak is dit het geval. Twee jaar voordat de onderhavige klacht werd ingediend heeft Aegon tegen de oud-notaris een klacht ingediend die (onder meer) ook betrekking heeft op de toelaatbaarheid van het handelen van de notaris inzake de verklaring als bedoeld in artikel 1:80c lid 1 sub c BW en het convenant met het oog op de benadeling van schuldeisers. In die zaak (zaaknummer 200.009.905/01 NOT) heeft het hof heden een onherroepelijke beslissing gegeven, inhoudende dat de klacht van Aegon gedeeltelijk gegrond is verklaard en aan de oud-notaris de maatregel van berisping is opgelegd. Dit brengt met zich dat klager niet worden ontvangen in zijn klacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen