Hof Amsterdam 10 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0454

Belanghebbende (X BV) is opgericht naar Nederlands recht en feitelijk gevestigd op de (toenmalige) Nederlandse Antillen. Zij is in de boekjaren 1996 t/m 1999 moedermaatschappij van een fiscale eenheid met aan aantal in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappijen, waaronder dochtervennootschap Y BV. In 1996 heeft Y BV (binnen fiscale eenheid) aan belanghebbende een terugbetaling van kapitaal verricht, welk bedrag Y BV rentedragend schuldig is gebleven. Belanghebbende stelt dat zij een houdstermaatschappij is in de zin van art. 25 BRK en dat deze bepaling de belastingheffing door Nederland over de interne rentebetalingen beperkt tot 4%. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende voor de toepassing door Nederland van de BRK moet worden beschouwd als inwoner van de Nederlandse Antillen en de met belanghebbende gevoegde (klein)dochtermaatschappijen niet zelfstandig in aanmerking kunnen komen voor toepassing van de BRK. De BRK staat er niet aan in de weg dat de door de (klein)dochters behaalde winst in Nederland wordt belast als ware deze door belanghebbende behaald met behulp van een vaste inrichting in Nederland. Bij de bepaling van de Nederlandse winst dient geen betekenis te worden toegekend aan de bijgeboekte rente op de vordering van belanghebbende op Y BV, aangezien deze interne vordering binnen de fiscale eenheid geacht wordt niet te bestaan (vgl. HR, BNB 2003/286). Ten overvloede is het Hof van oordeel (onder verwijzing naar HR, BNB 2008/68) dat belanghebbende geen houdstermaatschappij is in de zin van art. 25 BRK. Ook de stelling van belanghebbende dat het Europese recht verhindert dat de verschuldigde interne rente tegen een hoger percentage dan 4 kan worden belast, wordt door het Hof verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen