Hof Amsterdam 15 december 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0453
Belanghebbende (X Holding BV) is feitelijk gevestigd in Nederland en is in 1999 moedermaatschappij van een fiscale eenheid. Van deze fiscale eenheid maken onder meer deel uit dochtervennootschap X BV, feitelijk gevestigd op de (toenmalige) Nederlandse Antillen, en kleindochter Y BV, feitelijk gevestigd in Nederland. In een eerder jaar heeft Y BV aan X BV een terugbetaling van kapitaal verricht, welk bedrag rentedragend schuldig is gebleven. Belanghebbende stelt dat X BV een houdstermaatschappij is in de zin van art. 25 BRK en dat deze bepaling de belastingheffing door Nederland over de interne rentebetalingen beperkt tot 4%. Het Hof stelt voorop dat X BV, als dochtermaatschappij van de fiscale eenheid met belanghebbende, voor de toepassing van Wet Vpb 1969 is “opgegaan in” belanghebbende en dat dit effect eveneens heeft te gelden bij de toepassing door Nederland van de BRK. Voor de toepassing door Nederland van de BRK is X BV derhalve geen zelfstandig subject; uitsluitend belanghebbende kwalificeert daar (als moedermaatschappij van de fiscale eenheid) voor. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat reeds hierom X BV niet kan worden aangemerkt als een ‘houdstermaatschappij’ in de zin van art. 25 BRK. Ook de stelling van belanghebbende dat het Europese recht verhindert dat de verschuldigde interne rente tegen een hoger percentage dan 4 kan worden belast, wordt door het Hof verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl