Hof Amsterdam 21 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7139

Voor wat betreft de levering van vuurwerk aan [naam] acht het hof, anders dan de rechtbank, niet bewezen dat de verdachte op enig moment wetenschap had van het gegeven dat door [naam medeverdachte] vuurwerk van de [naam BV] werd geleverd aan [naam]. Niet bewezen is dat verdachte opdracht heeft gegeven voor het verrichten van die gedraging, of dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Vrijspraak t.a.v. onder 1 tenlastegelegde. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, die erop neerkomen dat – hoewel er door [naam BV] wel vuurwerk is geleverd aan [naam] – niet gebleken is, laat staan bewezen, dat de verdachte (de directeur van die bv) daarvan wetenschap had en evenmin dat eerder zulke leveringen hebben plaatsgevonden, waarvan de verdachte wetenschap had of had kunnen hebben en waartegen hij geen maatregelen heeft getroffen. Niet bewezen is (dus) dat verdachte opdracht heeft gegeven aan de levering aan [naam] of dat hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Vrijspraak t..a.v. het onder 2 tenlastegelegde. De rookballetjes zijn door medewerkers van [naam BV] aan [naam] en [naam] geleverd ná 25 oktober 2004. Dat handelen kan worden toegerekend aan [naam BV] en aan haar directeur, verdachte. Transporten hebben over Nederlands grondgebied plaatsgevonden. Voor deze transporten gold een meldingsplicht. Het nalaten om melding te doen aan het LMIP door [naam medeverdachte] kan aan [naam BV] worden toegerekend, nu [naam medeverdachte] bedrijfsleider van de B.V. is en dit handelen naar moet worden aangenomen praktijk was en paste binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, te weten het handelen in vuurwerk. Verdachte, immers directeur van van genoemde bv moet daar weet van hebben gehad (hij was degene die de contacten met de (Belgische) klanten had), maar ingegrepen heeft hij niet. Levering aan [naam BV] kan worden toegerekend aan verdachte als feitelijk ledinggever van die bv aangezien de directeur samen met [naam] de contacten onderhield met de klanten, terwijl [naam medeverdachte] de verantwoordelijkheid had over de leveranties. Daarbij is gelet op de functies die deze personen bekleedden binnen [naam BV] en de omstandigheid dat het handelen binnen de normale bedrijfsvoering paste. T.a.v. de fiscale feiten geldt dat de redenering van de rechtbank wordt onderschreven. De vertegenwoordiger van de verdachte (haar directeur, ook destijds) heeft deze feiten ter terechtzitting van het hof bovendien erkend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen