Hof Amsterdam 5 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6161
Het hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van hetgeen te dien aanzien in de verordening is bepaald, met zich mee brengt dat bij de bepaling van de vereiste oppervlakte per dier anders dan het standpunt van de verdediging niet dient te worden uitgegaan van de categorieën en hun benaming maar van het gewicht van het desbetreffende dier. De in de bijlage genoemde eisen zijn, zoals hiervoor reeds beschreven, minimumeisen waaraan voldaan moet zijn. De bedoeling van deze minimumeisen kan naar het oordeel van het hof geen andere zijn dan dierenleed te voorkomen en discussies over de vraag of hier al dan niet sprake van is de pas af te snijden. Op geen enkele wijze is overigens aannemelijk gemaakt dat het welzijn van de dieren door de handelswijze van verdachte beter gediend was dan als zij zich aan de regels zou hebben gehouden. Van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid is geen sprake. Dat verdachte geen wetenschap zou hebben van de gedraging is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verdachte kan wel als dader worden aangemerkt, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, NJ 2006, 328. Geen sprake van schending redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl