Hof Amsterdam 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR5839

Uit onderzoek is het BFT gebleken dat als gevolg van overboekingen van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening, op het kantoor van de notarissen sprake was van een negatieve bewaringspositie van € 100.717,- in de periode 30 september 2009 tot en met 23 oktober 2009. Het hof kan zich niet verenigen met het oordeel van de kamer over de vaststelling van de bewaringspositie van de notarissen – zie het eerste klachtonderdeel zoals hiervoor weergegeven onder 4.2. – zoals vervat in rechtsoverweging 4.4 van de kamer alsmede de ongegrond verklaring van dit klachtonderdeel in rechtsoverweging 4.5 van de kamer. In de toelichting op artikel 15 lid 1 Vbg valt te lezen dat de bewaringspositie van de notarissen, bestaande uit de aanwezige cliëntengelden – dat wil zeggen: zowel de derdengelden als de gelden van derden waarover de notaris bevoegd is te beschikken – minus de vorderingen van derden, te allen tijde positief moet zijn. Deze cliëntengelden dienen gestort te zijn op één of meer bijzondere rekeningen. Alvorens over te gaan tot overboeking van gelden die aan henzelf toekomen, van een bijzondere rekening naar hun (kantoor)rekening, zullen de notarissen steeds moeten vaststellen of hun bewaringspositie hiertoe toereikend is. Dat dit zo is moet blijken uit de administratievoering, aldus de toelichting. Een redelijke uitleg van artikel 23 lid 1 Wna brengt met zich dat voor de bepaling van het saldo van de bijzondere rekening als hiervoor bedoeld in de toelichting op artikel 15 Vgb (hierna: de kwaliteitsrekening) de gelden van de kantoorrekening geen rol mogen spelen. Anders gezegd: het overmaken van een (te groot) bedrag van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening kan ertoe leiden dat de notaris te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen. En dat is in objectieve zin ook iets wat de notaris “redelijkerwijs moet verwachten”. Een andere opvatting, voor zover die ervan uitgaat dat de woorden “redelijkerwijs moet verwachten” het oog hebben op de concrete omstandigheden van het geval op het moment dat de handeling wordt verricht, verdraagt zich niet met de bedoeling van de kwaliteitsrekening en evenmin met de voorbeelden, genoemd in het tweede lid van artikel 23 Wna, welke voorbeelden geen ruimte laten voor enige subjectieve beoordeling aan de zijde van de notaris. Anders dan de kamer komt het hof hiermee tot de conclusie dat in het onderhavige geval wel is gebleken van een negatieve bewaringspositie in de zin van artikel 23 lid 1 Wna jo artikel 15 lid 1 Vbg. Het eerste klachtonderdeel is derhalve eveneens gegrond. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende verklaart beide klachtonderdelen (zoals hiervoor weergegeven onder 4.2. en 4.3.) gegrond. Het hof legt beide notarissen de maatregel van waarschuwing op.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen