Hof Amsterdam 30 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0285
1. De rechtbank heeft één uitspraak gedaan voor twee belastingplichtigen, te weten belanghebbende en de B.V. waarvan hij directeur is. In het dictum is geen onderscheid gemaakt naar belastingplichtige. Hoger beroep werd ingesteld op naam van de B.V., dit hoger beroep is later ingetrokken. De motivering van het hoger-beroepschrift stond op naam van belanghebbende. Onder de omstandigheden van het geval moet worden aangenomen dat het hoger beroep de gehele uitspraak van de rechtbank omvat en dat derhalve ook namens belanghebbende hoger beroep is ingesteld. Hoger beroep is ontvankelijk. 2. Belanghebbende en de B.V. zijn desgevraagd bij beschikking van de inspecteur aangemerkt als een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (hierna: f.e.). De f.e. heeft op aangifte verschuldigde omzetbelasting niet voldaan en heeft de te dier zake opgelegde naheffingsaanslagen niet betaald. Belanghebbende is hiervoor aansprakelijk gesteld. Niet in geschil is dat belanghebbende en de B.V. nimmer hebben voldaan aan de voorwaarden om te worden aangewezen als één ondernemer in de zin van art. 7, vierde lid, Wet OB. Nu vaststaat dat de f.e. materieel nimmer heeft bestaan, kan de ontvanger in beginsel niet overgaan tot aansprakelijkstelling van belanghebbende. De omstandigheid dat er een verzoek om toepassing f.e. was ingediend, maakt dit niet anders, omdat aannemelijk is dat het verzoek werd gedaan naar aanleiding van jurisprudentie van de Hoge Raad en er geen aanwijzingen zijn dat belanghebbende voordeel heeft gehad bij de situatie. Belanghebbende is ten onrechte aansprakelijk gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl