Hof Amsterdam 31 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7864
Naar het oordeel van het hof is de aard van een transactie als hier aan de orde – te weten de verkoop van onroerend goed –, in het bijzonder gelet op de bij de notaris in het algemeen bestaande deskundigheid op dit gebied, zodanig dat het handelen van de notarissen in het kader van die transactie, ook al geschiedt zulks als (middellijk) privépersoon, in een tuchtrechtelijke procedure kan worden beoordeeld. Het hof stelt vast dat de notarissen [sub 2] en [sub 1] elk een (middellijk) belang hadden bij de verkoop. Het hof is van oordeel dat het klachtonderdeel dat ziet op een belangenverstrengeling waarbij de notarissen [sub 2] en [sub 1] zijn betrokken, gegrond is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het mogelijk aanwezige bestuursrechtelijke gebrek, bestaande – kort gezegd - in het ontbreken van een goedkeuring of bouwvergunning van de gemeente voor een uitbouw van de zolderverdieping van het verkochte, door de notarissen [sub 2] en [sub 1] niet op voor notarissen passende wijze is behandeld. Aldus blijkt naar het oordeel van het hof dat de notarissen [sub 2] en [sub 1] aan klaagster niet de juiste voorlichting hebben gegeven die op grond van hun deskundigheid als notaris van hen mocht worden verwacht. Op grond van een en ander is het hof van oordeel dat de notarissen [sub 2] en [sub 1] elk een maatregel moet worden opgelegd. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat de gegrondheid van het klachtonderdeel zoals onder 4.2. geformuleerd niet tot een schorsing dient te leiden, doch dat de maatregel van berisping passend en geboden is.
De uitspraak op rechtspraak.nl