Hof Amsterdam 12 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4863
In hoger beroep spitst het geschil zich erop toe of de omstandigheid dat sprake is van een carrouselfraude, in de weg staat aan toepassing van het tarief van nihil en aan het verlenen van een teruggaaf op de voet van artikel 30, eerste lid, van de Wet. Vast staat dat in Italië ter zake van alle relevante verwervingen is geheven en dat ter zake van al deze verwervingen door de Italiaanse fiscus de aftrek is geweigerd, omdat sprake is van fraude, en dat enkel fraude heeft plaatsgevonden in Italië. Het Hof is van oordeel dat onder de omstandigheden van dit geval, gelet op de systematiek van de Zesde richtlijn en de Wet, een afwijking van een normale BTW-heffing bij belanghebbende niet gerechtvaardigd is. Hoezeer het Hof ook begrip heeft voor de stelling van de inspecteur dat het meerdere malen heffen van BTW, zonder recht op aftrek, betrokkenen zal ontmoedigen deel te nemen aan een fraude, is het Hof van oordeel dat dergelijke heffingen neerkomen op met boeten vergelijkbare sancties waarvoor de Wet en de Zesde richtlijn geen basis bieden. Het gelijk is aan belanghebbende.
De uitspraak op rechtspraak.nl