Hof Amsterdam 8 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8065

Het verweer van de oud-notaris dat de omstandigheden hem gedwongen hebben tot het plegen van de hem verweten handelingen en dat hij slachtoffer geworden is van onverwacht hoge loonkosten, de tariefsverlagingen en daarna ook nog de kredietcrisis, dient te worden verworpen. Door het handelen en nalaten van de oud-notaris is het vertrouwen in de rechtsbedeling, in het bijzonder die welke aan het notariaat is opgedragen, in ernstige mate geschaad. Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de oud-notaris, de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden. Het verweer van de oud-notaris dat het geldende wettelijke systeem geen ruimte zou laten om een notaris die – eervol – ontslag heeft gekregen, nadien nog uit het ambt te ontzetten, wordt door het hof afgewezen. Het hof is van oordeel dat het feit dat de oud-notaris voorafgaand aan het opleggen van een maatregel zelf om zijn ontslag heeft verzocht, geen beletsel vormt om de oud-notaris alsnog de maatregel van ontzetting uit het ambt op te leggen. Artikel 103 Wna kent een dergelijke beperking niet en bovendien komt een ontzetting uit het ambt na ontslag een zelfstandige betekenis toe aangezien een notaris die uit zijn ambt is ontzet op grond van artikel 103 lid 7 Wna niet meer tot waarnemer kan worden benoemd en dus niet meer in aanmerking kan komen voor een (nieuwe) benoeming tot notaris.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen