Hof Amsterdam 16 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9338

Uit de stukken van het geding in eerste aanleg volgt dat de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tussen partijen in de procedure voor de rechtbank niet in geschil was. Het Hof gaat er daarom van uit dat de rechtbank de ontvankelijkheid, anders dan in de geschilomschrijving door de rechtbank wordt vermeld, als element van openbare orde ambtshalve heeft getoetst. De rechtbank heeft daarbij ambtshalve feiten vastgesteld waaruit naar het kennelijke oordeel van de rechtbank blijkt dat de inspecteur niet anders dan in strijd met artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege heeft kunnen laten. In hoger beroep heeft de inspecteur zijn standpunt gewijzigd en gesteld dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet verschoonbaar is op de voet van artikel 6:11 Awb. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat het in april 2006 gesloten bestuurlijke akkoord, inhoudende dat in de jaren 2006 tot en met 2009 extra middelen zouden worden onttrokken aan het gemeentefonds ter aanzuiveringen van de in de jaren 2003 tot en met 2005 ontstane tekorten van het BTW-compensatiefonds, losstaat van de beschikkingen die hij in jaren 2003 tot en met 2005 heeft genomen. Het bestuurlijke akkoord van april 2006 vormt daarom, zo stelt de inspecteur, geen grond voor het pardonneren van de te late indiening van het bezwaarschrift. Belanghebbende heeft hier tegenover gesteld dat de uitname uit het gemeentefonds op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling BTW-compensatiefonds onderdeel uitmaakt van de berekening van de minimumuitkering, zodat een achteraf doorgevoerde verhoging van de uitname uit het gemeentefonds dient te leiden tot verhoging van de minimumuitkering. Van deze verhoogde uitname uit het gemeentefonds vernam zij pas na kennisneming van de circulaire van 30 mei 2006. Dat zij vervolgens niet eerder dan op 29 december 2006 een bezwaarschrift heeft ingezonden is het gevolg van de omstandigheid dat zij aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat zij een compensatie zou ontvangen. Hierover is contact gezocht met het Ministerie van Financiën. Eerst toen dit niet het gewenste resultaat opleverde, is een bezwaarschrift ingediend. Gelet op deze omstandigheden is, zo meent belanghebbende, sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting volgt dat de uitname uit het gemeentefonds in de jaren 2003 tot en met 2005, anders dan belanghebbende stelt, niet met terugwerkende kracht is verhoogd. Voorts geldt dat belanghebbende, door eerst op 29 december 2006 een bezwaarschrift in te zenden, niet zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd bezwaar heeft gemaakt. Ook overigens is niet van een feit of omstandigheid gebleken die de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op dit alles komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende met de te late indiening van haar bezwaarschrift in verzuim is geweest, zodat geen grond bestaat om de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege te laten. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de inspecteur, doordat hij zijn standpunt in hoger beroep heeft gewijzigd, in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet dit standpunt worden verworpen. Het staat de inspecteur vrij in hoger beroep een ander standpunt in te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen