Hof Amsterdam 28 oktober 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9020

Het Hof stelt voorop dat, nu belanghebbenden aanspraak hebben gemaakt op persoonsgebonden aftrek van ziektekosten, op hen de bewijslast rust dat sprake is van een direct verband tussen de medische behandelingen en een ziekte en dat zij zich op grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet aan deze behandelingen konden onttrekken. Belanghebbenden zijn daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen daartoe. Belanghebbenden verkiezen, onder verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens, geen inzicht te verschaffen in de aard van de medische behandelingen die zij hebben ondergaan, noch in de aard van de ziekte(n) waarvoor deze behandelingen noodzakelijk zouden zijn geweest. Dientengevolge is het niet mogelijk om vast te stellen of is voldaan aan de onder 5.1 vermelde voorwaarden voor kwalificatie als buitengewone uitgaven. Dit klemt temeer nu het blijkens de stukken van het geding behandelingen door een plastisch chirurg betreft en dergelijke behandelingen op grond van hun aard niet in alle gevallen direct zijn gerelateerd aan een ziekte en, voor zover wel sprake is van een direct verband met een ziekte, niet in alle gevallen sprake behoeft te zijn van een medische noodzaak. Gelet op het vorenoverwogene hebben belanghebbenden naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan de op hen rustende bewijslast, zodat de inspecteur terecht de aftrek heeft geweigerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen