Hof Amsterdam 15 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1231

Het Hof heeft aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over de geoorloofdheid van een zogeheten exitheffing. De zaak betreft de emigratie naar Engeland in het jaar 2000 van X BV. Deze vennootschap had op het moment van emigratie een grote vordering in Britse ponden op een groepsvennootschap. Als gevolg van (destijds) de stijging van het Britse pond ten opzichte van de Nederlandse gulden, is die vordering – gewaardeerd in NLG – met ruim NLG 22 miljoen in waarde gestegen. Over deze meerwaarde was tot het moment van emigratie nog geen belasting geheven. Ter gelegenheid van de emigratie naar Engeland heeft de Nederlandse belastinginspecteur die ‘stille’ meerwaarde van de vordering belast (de exitheffing). De desbetreffende aanslag vennootschapsbelasting is mede gebaseerd op de stelling dat X BV zich schuldig heeft gemaakt aan wetsontduiking, door de wijze waarop zij heeft geprobeerd de exitheffing te ontgaan. Ook in hoger beroep is geoordeeld dat sprake is van wetsontduiking. De bij emigratie aanwezige meerwaarde van de vordering is daarom in beginsel aan belastingheffing onderworpen. Vervolgens rijst de vraag of een dergelijke belastingheffing bij emigratie van een onderneming is toegestaan onder EG-recht. Omdat het antwoord op deze vraag niet voldoende duidelijk is, heeft het Hof besloten deze aan het Hof van Justitie voor te leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen