Hof Amsterdam 22 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9504

Sedert de invoering van de Wet op het notarisambt in 1999 heeft een notaris ingevolge de uitdrukkelijke wens van de wetgever een grote vrijheid in het vaststellen van de tarieven voor zijn werkzaamheden; een algemene maatregel als bedoeld in artikel 54 Wna is niet vastgesteld. Het hof is van oordeel dat bestede tijd die het gevolg is van fouten of inefficiënties van de notaris of diens medewerkers in het algemeen niet aan cliënten in rekening kan worden gebracht. Het hof is in het kader van de hem toekomende bevoegdheid tot marginale toetsing van oordeel dat de door de notaris gedeclareerde uren niet in verhouding staan tot het tijdsbeslag dat voor een eenvoudige nalatenschap als de onderhavige kan worden verwacht. Daarover zou anders kunnen worden geoordeeld indien juridische of feitelijke complicaties of meningsverschillen tussen de erfgenamen de afwikkeling zouden hebben bemoeilijkt of erfgenamen anderszins een frequent beroep op de notaris zouden hebben gedaan. Het hof acht derhalve de klacht gegrond en acht de maatregel van waarschuwing passend, zodat het hof de beslissing van de kamer zal bekrachtigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen