Hof Amsterdam 20 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8209
Pand dient te worden aangemerkt als bedrijfsruimte waarin twee alleenwonende personen ieder van een onzelfstandig gedeelte gebruik maken. Aan belanghebbende is voor 2007 een aanslag verontreinigingsheffing opgelegd naar het tarief voor een meerpersoonshuishouden. De heffingsambtenaar beroept zich op het GBA, waarin twee personen staan ingeschreven op het adres van belanghebbende. In hoger beroep komt vast te staan dat belanghebbende een gedeelte van het door hem van de gemeente gehuurde pand heeft onderverhuurd aan een derde. De heffingsambtenaar heeft terecht gesteld dat in het pand geen zelfstandige woonruimten aanwezig zijn, zodat geen sprake is van twee eenpersoonshuishoudens in de zin van de Verordening. Ten onrechte heeft de heffingsambtenaar daaraan de conclusie verbonden dat het gehele pand moet worden aangemerkt als woonruimte die wordt gebruikt door een meerpersoonshuishouden. Belanghebbende en zijn (onder)huurder leven namelijk geheel apart van elkaar en delen slechts het gebruik van de douchevoorziening in het pand. Het pand dient derhalve te worden aangemerkt als bedrijfsruimte in de zin van de Verordening, waarin twee alleenwonende personen ieder van een onzelfstandig gedeelte gebruik maken. Nu belanghebbende het gehele pand huurde van de gemeente, moet belanghebbende worden aangemerkt als de gebruiker van de gehele bedrijfsruimte. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag in dat geval dient te worden berekend naar drie vervuilingseenheden. Wel wordt de aanslag 2007 verminderd tot een berekend naar het (lagere) tarief voor het jaar 2006, omdat de wijzigingsverordening waarin de tariefsverhoging voor 2007 is opgenomen niet op rechtsgeldige wijze is bekend gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl