Hof Amsterdam 3 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7187
Volgens het Hof kan niet worden geoordeeld dat bij belanghebbende sprake was van een morele noodzaak of verplichting tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van de zoon. Zij kon zich derhalve op deze grond niet redelijkerwijs gedrongen voelen tot het doen van de uitgaven. Belanghebbende heeft haar stelling, dat het verwerven van een inkomen door haar zoon waarmee hij in zijn levensonderhoud zou hebben kunnen voorzien in de weg zou staan aan zijn voetbalactiviteiten en daarmee zijn kansen op het vinden van een betaalde baan in het voetbal zouden verminderen, niet aannemelijk gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl