Hof Amsterdam 6 mei 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM4225

Aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 Belanghebbende genoot met ingang van mei 2005 een AOW-uitkering, zijnde haar enige inkomsten in dat jaar. Belanghebbende deed aangifte; bij de aanslag is haar een teruggaaf van € 95 verleend. Belastingplichtigen die eveneens in mei 2005 65 jaar werden, maar die een voorlopige teruggaaf hadden aangevraagd, behoeven de tot mei in totaal € 631 ontvangen voorlopige teruggaaf niet terug te betalen. Belanghebbende stelt dat sprake is van gelijke gevallen en maakt aanspraak op teruggaaf van € 631 in plaats van € 95. De rechtbank stelt haar in het gelijk. Het Hof oordeelt dat de wetgever zonder overschrijding van zijn ruime beoordelingsvrijheid heeft kunnen menen dat, voor zover hier al sprake is van gelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om enerzijds aan belastingplichtigen, die daarom hebben verzocht, een voorlopige teruggaaf toe te kennen waarbij voor de algemene heffingskorting geen rekening wordt gehouden met het bereiken van de 65 jarige leeftijd en het ontvangen van AOW, en zulks niet te corrigeren via een aanslag, en anderzijds aan belastingplichtigen die niet om een dergelijke teruggaaf hebben verzocht een aanslag op te leggen waarbij een algemene heffingskorting wordt berekend, rekening houdend met het bereiken van de 65 jarige leeftijd en het ontvangen van AOW. Nu de op dit punt door de wetgever gemaakte keuze niet van een redelijke grond ontbloot is, dient deze keuze te worden geëerbiedigd. Het hoger beroep van de inspecteur treft doel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen