Hof Amsterdam 27 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2935

Met betrekking tot doorhalingen van hypothecaire inschrijvingen moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds doorhalingen die dienen te geschieden nadat het hypotheekrecht is teniet gegaan, bijvoorbeeld door betaling van de schuld waarvoor zekerheid is gegeven, en anderzijds doorhalingen die het gevolg zijn van afstand van het hypotheekrecht door de hypothecaire crediteur. Anders dan de notaris leest het hof noch in art. 3 Vbg noch in de bijbehorende toelichting dat in het algemeen een notaris met een royementstoezegging genoegen kan nemen. Het hof is van oordeel dat de notaris geen genoegen had mogen nemen met de bevestiging door (de medewerker van) het kantoor van [notaris X] Notarissen dat de hypotheek ten behoeve van [BV 2] mocht worden geroyeerd, maar dat hij ten tijde van de levering van het registergoed over een daartoe strekkende volmacht van [BV 2] had dienen te beschikken en de akte van afstand bij die gelegenheid had dienen te passeren en vervolgens ter inschrijving in de openbare registers had dienen aan te bieden. Het hof acht de klacht gegrond. Met betrekking tot de klacht dat de notaris tijdens een telefoongesprek [klager 1] heeft bewogen de onderhavige klacht in te trekken acht het hof het handelen van de notaris niet tuchtrechtelijk laakbaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen