Hof Amsterdam 2 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL8833
Gelet op de inhoud van de brieven van het BFT van 14 januari 2009 aan de voorzitter van de kamer is het hof van oordeel dat de voorzitter de hem toekomende marge van beoordeling niet te buiten is gegaan. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen betreffende de klachten dan die vervat in de beslissing van de kamer van toezicht, waarmee het hof zich verenigt. Het hof voegt daar nog aan toe dat het, gezien het bepaalde in de derde volzin van artikel 25 lid 3 Wna, op de weg van de notarissen had gelegen om, onmiddellijk na het ontdekken van de negatieve bewaringspositie zélf voor aanzuivering daarvan zorg te dragen; in het bijzonder is niet voldoende dat de notarissen alles in het werk hebben gesteld om de ontbrekende koopsom zo spoedig mogelijk alsnog op de derdengeldrekening gestort te krijgen.
De uitspraak op rechtspraak.nl