Hof Amsterdam 2 maart 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7916

Het hof acht in casu het ten processe bedoelde handelen van de notaris evenwel niet klachtwaardig nu het in de notariële praktijk niet ongebruikelijk is om dergelijke transacties in de vorm van verzamelakten te doen passeren en de gemeente bij brief van 19 juni 2008 aan klager heeft bevestigd voor het vestigen van het zakelijke recht van opstal de notaris te hebben verzocht de gebruikelijke werkwijze te hanteren. Onder die omstandigheden acht het hof het begrijpelijk dat de notaris de – toen – gebruikelijke werkwijze heeft gevolgd. Het hof stelt vast dat in de beslissing van de kamer niet is betrokken de klacht van klager dat de notaris de gegevens van klagers identiteitsbewijs niet heeft doen opnemen in de akte. Ten aanzien van dit klachtonderdeel is het hof van oordeel dat artikel 39 lid 1 Wna van toepassing is. Naar het oordeel van het hof was de notaris gezien de tekst van artikel 39 lid 1 Wna niet verplicht om de gegevens van het geldige identiteitsbewijs van klager op te nemen in de akte. Of de genoemde volmacht de gegevens van het geldige identiteitsbewijs bevatte heeft het hof niet kunnen vaststellen, maar dat aspect behoeft geen nader onderzoek omdat het geen onderdeel uitmaakt van de klacht. Het hof verklaart beide onderdelen van de klacht ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen