Hof Amsterdam 26 februari 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7413
Belanghebbende is van mening dat van naheffing van MRB zou moeten worden afgezien, omdat de auto reeds bij eerste registratie in Nederland niet voldeed aan de technische eisen welke worden gesteld aan een bestelauto met dubbele cabine. Deze stelling dient te worden verworpen, reeds omdat zij feitelijke grondslag ontbeert. Tot de stukken van het geding behoort onder meer een keuringsrapport van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) van 30 oktober 2003, waaruit blijkt dat de auto op die datum als bestelauto moest worden aangemerkt, niet omdat deze voldeed aan de technische eisen voor een bestelauto met een dubbele cabine, maar omdat de auto beschikte over een laadruimte voorzien van een vlakke laadvloer met een minimale lengte van 200 cm en een minimale hoogte van 130 cm over ten minste 200 cm van de lengte en 20 cm van de breedte (artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB). Deze bepaling schrijft geen blindering voor, noch de aanwezigheid van een vaste wand (tussenschot). Zo belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij zonder fiscale gevolgen zijn bestelauto mocht ombouwen tot personenauto, faalt die stelling, nu van een uitlating of toezegging van of namens de inspecteur met die strekking niet is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl