Hof Amsterdam 23 maart 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BO7170
Samenvatting: De stelling van belanghebbende dat de panden aan de …weg en N te L één gebouw zijn als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet B 2001 wordt door het Hof niet gevolgd. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat van een eigen woning in de zin van dit artikel slechts één zelfstandig gebouw deel kan uitmaken. Op de percelen 2005 en 2007 staan afzonderlijke opstallen, zodat geen sprake is van één gebouw. Uit het arrest van 16 juli 1993, nr. 29 174, BNB 1993/281 van de Hoge Raad leidt het Hof af dat niet doorslaggevend is dat de …weg vóór de aankoop door belanghebbende als eigen woning werd gebruikt. De stelling van de inspecteur dat de …weg geen aanhorigheid kan zijn omdat deze het karakter van zelfstandige eigen woning heeft behouden, kan daarom niet worden gevolgd. Nagegaan dient te worden of de …weg gelet op de omstandigheden na aankoop door belanghebbende in gebruik is bij N en daaraan dienstbaar is. Na de bouw van de woning en de garage op het perceel met nummer 2007 is de tuin van N en de …weg opnieuw ingericht. De tuin strekt zich uit over de percelen 2004 tot en met 2007, de tuinpaden zijn zo aangelegd dat de woning, de garage en het object …weg onderling zijn verbonden. De percelen en de panden zijn alleen nog toegankelijk via een oprijlaan aan de …weg en de inrichting van de tuin is met aanzienlijke kosten gepaard gegaan. Ten aanzien van de vraag of het pand …weg en de daarbij behorende tuin een aanhorigheid zijn, stelt belanghebbende dat hij ten tijde van de aankoop heeft overwogen om het pand …weg te slopen. Belanghebbende heeft hiervan echter afgezien omdat dit pand gebruikt zou kunnen worden als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf. De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de tuin van de …weg waarschijnlijk wel als een aanhorigheid van N zou hebben aangemerkt als belanghebbende het pand zou hebben gesloopt. Het Hof is van oordeel dat het pand …weg tezamen met de tuin een aanhorigheid is van N. Het pand is in gebruik bij de bewoners en is dienstbaar aan de woning van N. Anders dan de inspecteur voorstaat, is voor de vraag of sprake is van dienstbaarheid niet doorslaggevend of de woning van N onafhankelijk van het pand …weg kan worden gebruikt. Een dergelijke beperkte invulling van `dienstbaar zijn aan' zou immers betekenen dat ook bijvoorbeeld een garage niet als aanhorigheid kan worden aangemerkt omdat een woning zonder garage zelfstandig kan worden gebruikt. Door de bestemming die belanghebbende aan het pand …weg heeft gegeven, welke bestemming door de inspecteur niet is betwist, is dit pand dienstbaar aan de woning. Op basis van kopieën van foto's, die door belanghebbende in het geding zijn gebracht, kan verder worden aangenomen dat de afstand tussen de woning en het pand …weg beperkt is, dat het pand niet is afgescheiden van N en dat de tuin zo is ingericht dat het pand …weg goed bereikbaar is vanuit de woning.
De uitspraak op rechtspraak.nl