Hof Amsterdam 25 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ8864
Uitrijden dierlijke meststoffen volgens FIR-methode 1. Verweer niet-ontvankelijkheid OM verworpen: geen sprake van een op handen zijnde beleidswijziging, waarvan te verwachten valt dat zij zal resulteren in een ander zicht op de strafwaardigheid van de aan de verdachte verweten gedragingen. Thans geldende wettelijke voorschriften blijven onverkort gelden. 2. Verweer verdachte dat hij niet in strijd met het Besluit gebruik meststoffen heeft gehandeld, nu hij de dierlijke meststoffen emissiearm heeft uitgereden, verworpen. FIR-methode voldoet niet aan omschrijving emissiearm aanwenden in artikel 1, lid 1 onder l van het Besluit gebruik meststoffen jo. de bij dit besluit behorende bijlage II. 3. Verweer verdachte dat het Besluit gebruik meststoffen in strijd is met de Wet bodembescherming en derhalve onverbindend verklaard dient te worden, verworpen. Nu op grond van het wettelijk systeem door de bevoegde regelgever limitatief de voorwaarden zijn gesteld waaronder dierlijke meststoffen mogen worden aangewend en datzelfde wettelijk systeem de mogelijkheid biedt om onder specifieke omstandigheden een vrijstelling dan wel ontheffing te verkrijgen, is daarnaast geen ruimte om met een beroep op het wettelijk systeem op eigen gezag van de bevoegd gegeven voorschriften af te wijken. Artikel 13 van de Wet bodembescherming kan geen grondslag bieden voor eigenmachtige overtreding van het bepaalde krachtens artikel 7 van diezelfde wet. 4. Verweer ontbreken materiële wederrechtelijkheid verworpen. De door de verdachte gebruikte FIR-methode is in strijd met de voorgeschreven methode van bemesting. Geen vrijstelling of ontheffing als bedoeld in de artikelen 64 en 65 van de Wet bodembescherming. Handelwijze verdachte niet algemeen wetenschappelijk als juist erkend. FIR-methode (vooralsnog) omstreden. 5. Toepassing artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl