Hof Amsterdam 18 juni 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2761
Uit de toelichting bij het amendement Bos c.s. blijkt dat artikel 3.87, elfde lid, van de Wet IB 2001 bewerkstelligt dat, naast de openbaarvervoer-verklaring die wordt afgegeven door de desbetreffende openbaarvervoersonderneming, ook op andere wijze kan worden aangetoond dat de reisafstand met het openbaar vervoer is afgelegd. Hierbij wordt met name gedacht aan de belastingplichtigen die thans gebruik maken van losse kaarten en hierdoor geen OV-verklaring kunnen overleggen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 107). Op deze wijze heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat werknemers aan wie door de gebruikte kaartsoort geen openbaarvervoer-verklaring wordt verstrekt geen recht zouden hebben op de reisaftrek. Door de combinatie van de door de inhoudingsplichtige opgemaakte reisverklaring met de plaatsbewijzen kan het (directe) verband worden gelegd tussen het woon-werkverkeer en het daadwerkelijk op bepaalde dagen met het openbaar vervoer afgelegde traject. De plaatsbewijzen vormen derhalve een essentieel onderdeel van het te leveren bewijs.
De uitspraak op rechtspraak.nl