Hof Amsterdam 2 maart 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5938

Gelet op het Besluit en het memo van G, acht het Hof aannemelijk dat de speciale behandeling van wethouders en gedeputeerden - door aan hen, ondanks dat zij na invoering van het duale stelsel in dienstbetrekking werkzaam zijn, toe te staan hun beroepskosten in aftrek te brengen - niet berustte op een bewust beleid hen, in afwijking van de wet, te begunstigen. Van belang in dit verband is dat over de fiscale gevolgen van de zogenoemde dualisering in de periode vóór het voorjaar van 2005 nimmer, naar de inspecteur ter zitting niet althans onvoldoende weersproken heeft gesteld, overleg is gevoerd tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van Binnenlandse Zaken. De stelling van belanghebbende dat sprake is van begunstigend beleid, (reeds) omdat van het ministerie van Financiën en het ministerie van Binnenlandse Zaken mag worden verlangd dat zij bij de invoering van het duale stelsel zich hebben vergewist van de arbeidsrechtelijke en fiscaalrechtelijke gevolgen, vindt geen steun in het recht. Hetgeen belanghebbende in dit verband overigens heeft gesteld, dwingt evenmin tot de door belanghebbende getrokken conclusie. Het Hof vermag niet in te zien dat de inhoud van het Besluit bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk heeft kunnen wekken dat zijn beroepskosten in aftrek kunnen worden gebracht, zodat geen sprake is van vertrouwen dat rechtens zou dienen te worden beschermd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen