Hof Amsterdam 13 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4117
[appellante] heeft zich erop beroepen dat met een strafrechtelijke ontruiming door de Staat een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het in artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van de woning. Dat [appellante] als kraker een recht op bescherming van de woning toekomt, is door de Staat niet (gemotiveerd) bestreden zodat het hof daarvan zal uitgaan. Het gevolg daarvan is dat [appellante] zich kan beroepen op het in artikel 12 Grondwet en artikel 8 lid 1 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van de woning. Zoals het gerechtshof Arnhem in zijn arrest van 26 februari 2008 (LJN BG1456) heeft geoordeeld moet er in lijn met HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 r.o. 6.4.4. van worden uitgegaan dat de bevoegdheid tot het maken van een inbreuk op dit recht voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet moet zijn omschreven, en dat algemeen geformuleerde bepalingen als artikel 2 Politiewet en artikel 124 RO niet aan die eis voldoen. Dat betekent dat artikel 2 Politiewet en artikel 124 RO geen toereikende grondslagen vormen om een inbreuk op een fundamenteel recht als bedoeld in artikel 12 Grondwet en artikel 8 EVRM te kunnen rechtvaardigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl