Hof Amsterdam 9 december 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BH3694
Het hof overweegt dat de Rabobank in eerdergenoemde correspondentie duidelijk heeft aangegeven dat zij niet akkoord kan gaan met het standpunt van [appellante] dat een deel van de schuld bij (een medewerker van) de Rabobank ligt, en dat zij wil dat [appellante] aangeeft hoe de valse verklaringen tot stand gekomen zijn. Op grond van door de Rabobank uitgevoerde interne onderzoek, de door de Rabobank overgelegde verklaring van de betreffende medewerker en de e-mailcorrespondentie tussen [appellante] en deze medewerker inzake de door [appellante] te verstrekken inkomensgegevens, acht het hof voorshands niet aannemelijk dat de Rabobank jegens [appellante] de schijn heeft gewekt dat zij instemde met het overleggen van valselijk opgemaakte inkomensgegevens. Nu [appellante] desondanks bij haar standpunt blijft dat (een medewerker van) de Rabobank medeverantwoordelijk is voor het verstrekken van valselijk opgemaakte verklaringen en zij niet kan aangeven hoe deze verklaringen zijn ontstaan, is het hof van oordeel dat de Rabobank zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voldaan is aan de door haar gestelde voorwaarde dat [appellante] de verantwoordelijkheid van haar handelen op zich neemt. De door [appellante] overgelegde conceptverklaring (productie 3) maakt dit oordeel niet anders, nu ook hieruit niet blijkt hoe de valse verklaringen zijn ontstaan en [appellante] bij haar standpunt blijft dat een deel van de verantwoordelijkheid bij de Rabobank zelf ligt.
De uitspraak op rechtspraak.nl