Hof Amsterdam 15 april 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BH2840
BBdlF heeft niet betwist dat de dossiers waarvan [appellant] inzage vraagt behoren tot een bestand in de zin de Wet bescherming persoonsgegevens, zodat die wet van toepassing is. Wat betreft de omvang en inhoud van het inzagerecht verwijst het hof in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007, NJ 2007, 638, in welk arrest onder meer is overwogen: “dat (…) de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door art. 35 lid 2 Wbp op de verantwoordelijke gelegde verplichting om aan de betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet kan volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch alle relevante informatie over de betrokkene moet verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen – en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten – gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels.” Gelet op het door [appellant] aangeduide belang bij de uitoefening van zijn informatierecht, is het verstrekken van afschriften van alle stukken (inclusief telefoonnotities) uit het, op [appellant] als relatie betrekking hebbende (dus ook wat betreft de via BBdlF gesloten ongevallenverzekering), bij BBdlF aanwezige dossier een passende wijze van uitoefening van bedoeld informatierecht. Door BBdlF zijn geen omstandigheden aangeduid die meebrengen dat door haar redelijkerwijs met minder kan worden volstaan, onverminderd de mogelijkheid om bedoelde afschriften aldus te verschaffen, dat zij in een toegankelijke elektronische vorm op een gegevensdrager worden geplaatst en dat vervolgens bedoelde gegevensdrager aan [appellant] ter hand wordt gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl