Hof Amsterdam 19 augustus 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG1979
Naar het oordeel van het hof levert het vrijkomen van (bruine) asbest in het plafond van het pand een gebrek op in de zin van art. 7:204 lid 2 BW. Gezien de ratio van deze bepaling levert de enkele aanwezigheid van asbest in de plafondplaten nog geen gebrek op in de zin der wet, omdat de huurder desondanks het genot kan hebben van het gehuurde dat hij op grond van de huurovereenkomst mocht verwachten. Dit wordt pas ánders indien het asbest, door welke oorzaak dan ook, vrijkomt en daardoor schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid. Op dát moment kan de huurder niet meer het genot hebben dat hij mocht verwachten en vormt het vrijkomen van het (schadelijke) asbest een gebrek. De verhuurder dient dan in beginsel, op de voet van art. 7:206 lid 1 BW, het gebrek te verhelpen. Noch in de parlementaire geschiedenis bij deze bepalingen, noch in de literatuur zijn aanknopingspunten te vinden voor het mogelijke onderscheid dat zich in casu voordoet, namelijk de aanwezigheid van asbest in de plafondplaten dat op zichzelf geen gevaar vormt voor de gezondheid en aldus, naar het oordeel van het hof, geen gebrek oplevert, maar dat wel als “latent gebrek” omschreven kan worden. Immers, bij het vrijkomen van asbest ontstaat (pas) het gebrek, waarvoor de verhuurder dan (pas) gehouden is tot herstel. Een en ander heeft ook gevolgen voor de inhoud van de mededelingsplicht van de verhuurder op de voet van art. 7:208 BW; zie hierover verder rov. 4.23. In casu: KPN kon met de enkele aanwezigheid van de asbestplafondplaten het gehuurde gewoon als winkelruimte gebruiken. Dit werd pas ánders na de inbraak waarbij de plafondplaten beschadigd raakten en het (schadelijke) asbest vrijkwam. Door het vrijkomen van het asbest kon de verhuurder, [geïntimeerde], immers de huurder, KPN, niet meer het genot verschaffen dat KPN bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. Daarbij doet niet ter zake dat het asbest is vrijgekomen door de inbraak; het betoog van [geïntimeerde] dat er geen sprake is van een gebrek op de voet van lid 3 van art. 7:204 BW omdat er sprake is van een “feitelijke stoornis” door derden gaat dan ook niet op. Terzijde merkt het hof op dat het (asbest)gebrek ook door ingrijpen van de huurder zelf (hier: de verbouwingswerkzaamheden die KPN heeft verricht alvorens zij in het gehuurde de winkel opende) aan het licht had kunnen komen; niet valt in te zien op welke grondslag de aanwezigheid en het vrijkomen van asbest dan aan KPN als huurder toe te rekenen zou zijn (vgl. conclusie A-G sub 12-19 voor HR 1 februari 2008, NJ 2008, 85).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 10 AB
- Artikel 6:2 BW6
- Artikel 6:74 BW6
- Artikel 6:75 BW6
- Artikel 6:82 BW6
- Artikel 6:89 BW6
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:109 BW6
- Artikel 6:174 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 7:204 BW7
- Artikel 7:206 BW7
- Artikel 7:207 BW7
- Artikel 7:208 BW7
- Artikel 7:209 BW7
- Artikel 7:222 BW7
- Artikel 7:290 BW7
- Artikel 3:33 BW3
- Artikel 3:35 BW3