Hof Amsterdam 15 juli 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG1714
Anders dan het Pensioenfonds c.s. aanvoeren, is het hof van oordeel dat de Verzekeraars voldoende voortvarend te werk zijn gegaan bij het instellen van hun vorderingen in eerste aanleg. Niet voldoende gemotiveerd bestreden is dat pas tijdens een bespreking op 15 oktober 2007 aan hen duidelijk is geworden dat de naam PGGM voor het aanbieden van derdepijlerproducten gebruikt zou gaan worden. Bij brief van 6 november 2007 hebben zij onder meer daarop een uitgebreide reactie gegeven, met het verzoek om antwoord. Toen zij dit antwoord na ontvangst van brieven van 14 november 2007 en 3 december 2007 van het Pensioenfonds c.s., niet bevredigend vonden, is een sommatie uitgegaan op 12 december 2007 en vervolgens is op 21 december 2007 de dagvaarding in eerste aanleg uitgebracht. Het hof acht voorts voldoende aannemelijk dat het gestelde spoedeisend belang, dat inhoudt dat de Verzekeraars door bedoeld onrechtmatig handelen van Pensioenfonds c.s. aanzienlijke schade lijden en zullen lijden, ook thans nog aanwezig is. De derde grief, die is gericht tegen de in dit verband in het bestreden vonnis gegeven weergave van de bezwaren van de Verzekeraars, is gezien dit oordeel van het hof niet meer van belang.
De uitspraak op rechtspraak.nl