Hof Amsterdam 19 februari 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BF7454

Het gaat in de onderhavige zaak – kort gezegd – om het volgende. De Ontvanger heeft in 2004 ten laste van de vennootschap onder firma [de V.O.F.] (hierna te noemen: de vof) executoriaal beslag gelegd op een aantal roerende zaken en deze op 19 augustus 2004 executoriaal verkocht. [appellant] heeft tijdens deze veiling biedingen uitgebracht die geleid hebben tot een koopovereenkomst. Hij heeft geweigerd het totaalbedrag van € 25.554,-- te voldoen, omdat hij het niet eens was met de gang van zaken op en rond de veiling. De desbetreffende zaken zijn vervolgens op 1 september 2004 tijdens een tweede executoriale verkoop ten laste van [appellant] verkocht voor een totaalbedrag van € 3.960,--. [appellant] is door de Ontvanger aangesproken voor het verschil tussen de opbrengst van de zaken tijdens de eerste en tweede verkoop en de kosten van de tweede verkoop. [appellant] betwist dat hij (in privé) deze bedragen aan de Ontvanger verschuldigd is, omdat hij op de veiling geboden heeft in zijn hoedanigheid van directeur van [appellant] B.V. en in opdracht van zijn cliënt [persoon A] (hierna te noemen: [persoon A]). Voorts stelt [appellant] dat de veiling jegens hem op verschillende gronden onrechtmatig was.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen